... op de website van Pedagogisch
Adviesbureau Velp
Opvoeden van kinderen kan leuk zijn.
Soms is het echter ook moeilijk. Als opvoeden niet meer vanzelf gaat,
kan een pedagoog uitkomst bieden.
Zijn er problemen zoals:
zindelijkheid
bedplassen
slaapgedrag
faalangst
eetproblemen
veelvuldig ruzie
opvoedingsvragen
Samen zoeken we naar een persoonlijke,
individuele oplossing.
Na telefonische afspraak volgt een
oriënterend gesprek. Daarna kan er gekozen worden uit advies, training,
begeleiding of verwijzing.
U bent verzekerd van een - meestal kortdurende - vertrouwelijke hulpverlening
in een persoonlijke sfeer.
Voor meer informatie of voor het
maken van een afspraak voor behandeling kunt u contact opnemen met:
Eten doen we allemaal. De een wat meer dan de ander. Uit onderzoek
blijkt dat ouders het evenwicht in het voedingspatroon van hun kind kunnen
ondersteunen maar ook verstoren. Wat is nou jouw rol als leidster, hoe
moet je omgaan met het eten en drinken op de peuterzaal, het kinderdagverblijf
en de BSO? Welke voedingsgewoontes moet je de kinderen aanleren of juist
afleren?
Hoeveel voedsel heeft een kind nodig op een dag? Voor een pasgeborene
is eten een van de belangrijkste zaken in zijn leven. Voor baby’s
die borst- of flesvoeding krijgen geldt het principe voeding op vraag.
Tussen vier en zes maanden wordt gestart met vaste voeding. Dit betekent
wennen aan andere smaken en leren van het lepeltje eten. Baby’s
die het erg moeilijk hebben met nieuwe smaken kan men het best ingedikte
melk van de lepel leren eten. Neem de baby eerst op schoot om verslikken
te voorkomen. Als de baby de lepel wegslaat, de mond dichthoudt of voedsel
uitspuwt, moet je stoppen met voeden van een lepel. Probeer het na een
of twee weken nog eens. Dwingen heeft geen zin en lokt alleen maar afkeer
uit. Vanaf de leeftijd van 1 jaar ontwikkelt het kind duidelijke voor-of
afkeuren voor bepaalde gerechten. Vanaf 1,5 jaar neemt het groeitempo
van de peuter sterk af en daarmee gepaard gaand ook de eetlust. Dit is
dan ook de periode waarin eten problematisch kan worden en maaltijden
kunnen uitdraaien op een machtsstrijd tussen ouders en kind. De peuter
komt immers in zijn koppigheidsfase en heeft snel door hoe hij ‘macht’
kan uitoefenen op volwassenen. Eten opdringen heeft geen zin. Dwingen
verpest de eetlust. Eetgewoontes worden geleerd door het goede voorbeeld
te geven.
Het komt nog wel eens voor dat kinderen een speelzaal of kinderdagverblijf
binnen komen met een boterham in hun hand. Het kind wil niet eten thuis
of de ouder had haast. Ook komen, vooral allochtone kinderen, zonder ontbijt
op de kinderopvang. Het ontbijt is een belangrijke maaltijd voor opgroeiende
kinderen. Onderzoeken wijzen uit dat ontbijten een positieve invloed heeft
op de prestaties en het welzijn van het kind. Het is belangrijk om ouders
hierop te wijzen.
Op verschillende speelzalen of kinderdagverblijven is het verboden om
met een boterham in de hand binnen te komen. Wat zijn de regels bij jullie?
Zoek je naar alternatieven?
Ontbijten
kinderen van de basisschool?
Uit een klein regionaal onderzoek op de Veluwe blijkt dat ruim 90%
van de kinderen ’s morgens ontbijten. Meestal eten ze 1 tot
2 boterhammen. Vrijwel nooit zitten ze met het hele gezin aan de ontbijttafel.
Meestal is een ouder al aan het werk.
Smakelijk eten, smakelijk eten, hap, hap, hap …
Bijna elke peuterzaal en op verschillende kinderdagverblijven begint het
etensritueel met het zingen van een of meer liedjes. Daarna eet men gezamenlijk
en als afsluiting wordt een verhaaltje voorgelezen. Deze rituelen zijn
belangrijk want het geeft het kind duidelijkheid en rust. Kinderen herkennen
het moment dat er opgeruimd gaat worden, sommige gaan al klaar zitten
in afwachting wat er komen gaat. Andere kinderen worden juist baldadig
en verstoppen zich, maar zitten even later heel tevreden aan tafel.
Een ouderavond over eten is geen overbodige luxe. Samen bepalen jullie
de regels en dat kan van jaar tot jaar verschillen. Eerst een boterham
met hartig daarna pas zoet? Wat voor brood komt er op tafel? Zijn ouders
bereid iets meer te betalen voor brood van de warme bakker? Smaakt het
eten wanneer het zacht en plakkerig is? Wanneer mogen de kinderen van
tafel? Waarop mogen de kinderen trakteren? Wat bieden wij de kinderen
aan als tussendoortje? Drinken we tijdens de maaltijd of daarna? Kinderen
met een voedselallergie komen de laatste jaren steeds meer voor. Besteed
daarom in je pedagogisch beleidsplan ook aandacht aan deze kinderen. Wat
bieden jullie deze kinderen aan? En wat denk je van vegetarische kinderen
of kinderen uit allochtone gezinnen?
In groeps- of in gezinsverband is de maaltijd een sociaal gebeuren. Belangrijk
is dat maaltijden gezellig en ontspannen verlopen. Als volwassenen vieren
wij vaak iets met een gezellig etentje. Eten moet geassocieerd worden
met gezellig samen zijn. Een moeder vertelde mij dat haar dochter thuis
een zeer moeilijke eter was. Op het dagverblijf at ze normaal met de andere
kinderen mee en was gezellig. ‘Zien eten doet eten’. Thuis
was moeder heel alert welke hoeveelheid ze binnen kreeg. De tafelsessies
waren een ramp.
Respect
voor anderen
In kinderdagverblijf ‘de Toverbal’ wordt aan de ouders
bij de aanmelding gevraagd naar hun wensen wat betreft het eten van
de kinderen. Hiermee wordt serieus omgegaan. Als kinderen geen varkensvlees
mogen of alleen ritueel geslacht (kippen)vlees, dan wordt er van de
leidsters verwacht dat zij ook alert zijn en dit niet aan de kinderen
geven. Ook niet een klein knakworstje. In een intercultureel kinderdagverblijf
in Nijmegen krijgen kinderen die alleen ritueel geslacht vlees mogen,
op speciale dagen als alternatief vissticks. (M.S.)
Moet het bordje of het trommeltje helemaal leeg?
Een kind dat moeilijk doet met eten kennen we allemaal. ‘Mondje
open… daar komt een boot…’ Wie kent deze foefjes niet.
Hoe gek het ook klinkt, je hoeft je niet gauw bezorgd te maken over de
hoeveelheid eten. Dwing een kind nooit om altijd zijn bord of trommeltje
helemaal leeg te eten. Kinderen komen vaak binnen met rijk gevulde broodtrommels.
Ouders willen graag dat deze trommel weer leeg naar huis terug gaat. Bespreek
met ouders dat dit niet altijd haalbaar is en jullie hier ook niet altijd
naar streven. Kinderen hebben net als volwassenen een wisselende eetlust. Deze is afhankelijk
van de mate van groei: als de groei minder is, is de eetlust ook minder.
Ook de mate van activiteit, de hoeveelheid extraatjes tussen de maaltijden
en de lichamelijke conditie zijn van belang. Als het kind niet lekker is, zal het minder trek hebben.
In mijn praktijk heb ik kinderen die moeilijk eten. De ouders komen bij
mij voor hulp omdat het een opvoedingsprobleem is geworden. Het kind groeit
goed, is gezond maar spuugt alles over tafel wanneer het eten niet aanstaat.
Het tafelgebeuren is een groot drama geworden. Een van de adviezen is:
ga zelf ontspannen aan tafel zitten en kijk niet naar het probleembord. Zorg voor een plezierige sfeer
aan tafel. Maak een keukenkalender en noteer wat er die week gegeten wordt.
Hierdoor vermijd je de confrontatie aan tafel van: ‘dat lust ik niet’.
Betrek het kind bij het bereiden van de maaltijden. Grote eters worden
het meestal niet maar wel kinderen die mee uit eten gaan en weer bij vriendjes
kunnen eten.
Eten
als thema
Eten uit andere landen is een leuk en leerzaam thema voor BSO’s
in vakantietijd. Elke week een ander land waar kinderen zich in gaan
verdiepen. Wat eten de mensen daar en op welke manier wordt er gegeten?
Met stokjes eten is een hele kunst. Samen naar recepten zoeken en
natuurlijk ook zelf koken maakt dat het eten, eenmaal klaar en opgediend,
extra lekker smaakt. Kinderen leren hierdoor vooral anders en iets
nieuws te proeven.
Lekkerbekken
Sommige kinderen hebben altijd trek. Ze eten vaak en veel. Zolang een
kind daardoor niet te dik wordt, is dit geen probleem. Een grote eetlust
kan verklaard worden door een periode van sterke groei of door lichamelijke
activiteit.
De afgelopen 20 jaar is het aantal kinderen met overgewicht verdubbeld.
Momenteel is één op de zeven kinderen te zwaar. Bij volwassenen
spreken we van serieus overgewicht wanneer het gewicht tenminste 20% boven
het ideale gewicht ligt. Maar bij kinderen is het beter om te kijken naar
de groeicurve. Soms heeft een kind een erfelijke aanleg waardoor het te
zwaar is. Het aantal dikke kinderen is de laatste jaren sterk toegenomen
door gebrek aan bewegen. Activeer de kinderen op de BSO daarom liever
om buiten spelen dan tv kijken of computeren. Plan elke dag een lichamelijke
activiteit in. Op kinderdagverblijven en peuterspeelzalen kun je situaties
aangrijpen waarbij je bewegingen kunt combineren. Bij kinderen die te
veel eten is het belangrijk na te gaan wat de achterliggende oorzaak hiervan
is. Enkel een dieet en meer bewegen is vaak niet voldoende. Beter is het
eet- en leefpatroon aan te pakken. Het eetpatroon van de thuissituatie
geeft ook vaak een indicatie. Het voorlichtingsbureau voor voeding begint
binnenkort met een campagne ‘Preventie van overgewicht’ waarbij
aandacht wordt besteed aan zowel energie-inneming als energieverbruik.
Bedenk dat in de opvoeding een heel belangrijke regel is: goed voorbeeld
doet goed volgen.
Mollige
kinderen
Waarom neemt het aantal dikke kinderen zo spectaculair toe? Alle deskundigen
zeggen hetzelfde: ‘door gebrek aan beweging’. Er wordt
steeds meer tijd voor de tv en de computer doorgebracht. Ouders brengen
hun kinderen steeds meer met de auto naar school en naar de kinderopvang.
Opvallend is het dat veel peuters, als ze van de kinderopvang worden
opgehaald, zelfs voor een klein stukje vervoerd worden in een wandelwagentje.
(Reuze jammer, samen een tijdje oplopen kan juist rust geven, even
aandacht voor wat er die dag gebeurd is, even luisteren naar elkaar
en overschakelen.) Uit onderzoek blijkt dat kinderen en jongeren ook
steeds minder in clubverband sporten.
Verder hebben waarschijnlijk best veel kinderen aanleg om dik te worden.
Als je dan ook nog flink eet en snoept en weinig beweegt, gaat het
mis, en dat zie je nu gebeuren. (M.S.)
Ontwikkeling
van smaak
Proeven doen we met de tong, maar dat is maar een klein deel van het
verhaal. Het gaat ook om wat we zien. Ziet het gerecht er vertrouwd
uit of is het een primeur op het bord? De geur is eveneens belangrijk.
Bij een verstopte neus kunnen we zelfs de geur van het lekkerste eten
niet meer thuis brengen. En dat is nog niet alles. Ook het gevoel
in de mond (zacht, plakkerig) en het geluid (smakken, knisperen) spelen
een rol. Maar sommige mensen gaan verder. Smaak wordt voor een groot
deel bepaald door de betekenis die je geeft aan wat je eet. Door beelden,
emoties of gevoelens die we in de loop der tijd zelf, bewust of onbewust,
met bepaald voedsel verbinden, gaan we iets lekker vinden of juist
verafschuwen. Daarom denken we altijd met heimwee terug aan de dampende
groentesoep van die lieve oma, of smaakt appeltaart nergens zo lekker
als de appeltaart die op verjaardagen werd gebakken door je moeder.
‘Iemand die als baby goed aan de borst heeft gedronken, houd
vaak tot op hoge leeftijd van bijvoorbeeld roomijs, want dat is immers
ook zoet, glad en romig.’ (Uit: Smullen is te leren. J/M december
2001) M.S.)
Meer informatie
Het voorlichtingsbureau voor voeding (www.voedingscentrum.nl),
tel. (070) 306 88 88
Bij het voedingscentrum zijn lijsten te verkrijgen voor geschikte lunch-
en pauze hapjes voor kinderen met verschillende voedselallergieën.
Daarnaast kun je hier de brochure ‘goed eten voor baby en peuter’
en het themapakket over voeding voor kleuters tot kinderen van groep 8
bestellen.
Bij Spectrum is het themapakket ‘eten, slapen, zindelijk worden’
en de brochure ‘lastige eters’ verkrijgbaar. In het themapakket
is vooral aandacht voor lastige eters. Aan de hand van opdrachtkaartjes
krijg je als team inzicht in het eetgedrag van peuters. Het pakket is
te huur (€ 10,50 voor twee weken) het informatiecentrum, Marjan Crebas,
tel. (026) 384 62 65. De brochure is ook te bestellen bij het IC à
€ 5,-. tel. (026) 384 62 63
Boekbespreking
Met de paplepel. Gezond en lekker koken voor je baby
De overgang van borst of flesvoeding op vastvoeding kan bij ouders maar
ook bij leidsters vragen oproepen. Hoeveel moet een baby eten? Wat kun
je een baby beter niet geven, Wanneer moet een kind zelfstandig kunnen
eten…
Er is steeds meer aandacht voor gezond en lekker eten. Goede eetgewoontes
zijn belangrijk, dus is het handig om dit een kind met de paplepel in
te geven. Al heel jong kunnen we kinderen leren verschillende smaken te
waarderen.
Werk je met baby’s (en hun ouders) en ben je geïnteresseerd
in lekkere recepten voor de eerste (fruit)hapjes, soep voor een baby en
de eerste echte maaltijden, dan kun je dit vinden in het leuke en interessante
boek van Sylvia Mouwes (journaliste) en Rosemarie Pasmooy voedingsdeskundige).
Naast de recepten zijn en vele wetenswaardigheden te lezen, van voedselovergevoeligheid
en allergie, tot op reis met een baby. Van verstandige vegetarische voeding,
tot een hoofdstuk over moeilijke eters en miezemuizen. (M.S.)
Met de paplepel. Gezond en lekker koken voor je baby, Sylvia Mouwes en
Rosemarie Pasmooy, Bussum, 2002: Trudy van Waarden producties, ISBN 9075564589
Prijs € 19.50
Net als leren lopen en praten is zindelijk worden een ontwikkelingsproces.
Pedagoge Josje Bröker komt in haar praktijk kinderen, jeugdigen en
zelfs ouderen tegen die problemen hebben met de zindelijkheid: overdag
en ’s nachts. Ook komen er ouders bij haar, waarvan de kinderen
nog niet naar de basisschool mogen omdat zij nog niet zindelijk zijn.
Hoe ga jij op het kindagverblijf of peuterspeelzaal om met de zindelijkheidstraining
van de kinderen? Hoe reageer jij als leidster van de BSO op kinderen die
regelmatig nog in hun broek plassen?
Het van begin af aan direct goed aan pakken en samen met de ouders proberen
de zindelijkheidstraining zo goed mogelijk te laten verlopen, zijn twee
uitgangspunten. Wat kun je nog meer doen?
Zindelijk zijn hangt af van de mogelijkheid van een individu om signalen
van de blaas te herkennen en erop te reageren door urine nog even op te
houden of naar de wc te gaan. Om kinderen te helpen bij de zindelijkheidstraining
is het belangrijk iets af te weten van de rijping van de blaas.
Baby’s plassen nog reflexmatig. Op ongeveer een- tot tweejarige
leeftijd leren kinderen geleidelijk een volle blaas te herkennen. Vanaf
de leeftijd van ongeveer drie jaar kunnen de bekkenbodemspieren aangespannen
worden en kan de urine worden opgehouden voor steeds langere perioden.
Ook neemt de blaascapaciteit toe. Op drie- tot vierjarige leeftijd kunnen
kinderen op de wc met een volle blaas de urinelozing bewust in gang zetten,
maar ze kunnen nog niet op elk commando plassen. Vanaf de leeftijd van
ongeveer vier jaar kan ook de stroom onderbroken worden. Op ongeveer zesjarige
leeftijd kunnen kinderen bij elk vullingniveau van de blaas plassen.
Wanneer beginnen?
De meeste kinderen zijn klaar voor zindelijkheidstraining tussen hun twintigste
en dertigste levensmaand. Maar kinderen hebben hun eigen manier om te
vertellen wanneer ze er klaar voor zijn, bijvoorbeeld als ze nog droog
zijn na een slaapje of wanneer ze merken dat er iets in hun luier zit.
Ze trekken aan de luier of graaien erin. Niet bij alle kinderen merk je
interesse in droog worden. De moderne wegwerpluiers en luierbroekjes zijn
zo comfortabel dat kinderen weinig last meer hoeven te hebben van een
natte luier of van hun ontlasting. Je kunt kinderen wel sturen en helpen.
Praktisch gezien is de zomer de beste tijd om aan de zinlijkheidtraining
te beginnen. Een onderbroekje of korte broek dat nat wordt, is heel wat
anders dan een lange broek met luier. Doordat in deze periode kinderen
veel bloot of in zwemkleding rondlopen, merken ze eerder dat hun broek
nat is of dat er poep in zit. De ontdekking: “ik ben vies, en ik
vind dat vervelend”, is essentieel voor de gewaarwording van zindelijkheid.
Vies
voelen is iets anders dan vies zijn!
Een kind moet je nooit het idee geven dat het ‘vies’ is.
Wanneer een bepaalde functie van zijn lichaam niet in de smaak valt,
kan een jong kind het gevoel krijgen dat het daarmee helemaal afgewezen
wordt. Het gaat zich schuldig en stout voelen wanneer zijn verzorgers,
van wie het afhankelijk is, steeds zo duidelijk hun afkeuring en afschuw
te kennen geven over zijn ontlasting en de bijbehorende stank. Het
kind zelf heeft vaak geen last van de stank of het ongemak. Deze schuldgevoelens
kunnen worden overgedragen op andere gebieden. Bang om vies te worden
of om met zand en water te spelen en te knoeien kan een gevolg zijn.
Deze kinderen zullen niet meedoen als anderen lekker zitten te kliederen.
Je komt het allemaal wel eens tegen, een kindje dat met zijn ontlasting
speelt en bijvoorbeeld het bedje vol heeft gesmeerd met poep. Het
beste is er niet te veel woorden aan vuil te maken. Door zakelijk
te reageren verminder je de kans op herhaling.
Groepsleidsters aan het woord
“Wat doe je aan zindelijkheidstraining?”, vroegen we aan enkele
leidsters van kinderdagverblijven en peuterspeelzalen.
Een leidsters van een babygroep (nul tot twee jaar): “Ouders vragen
er wel naar, maar wij zeggen dan dat we daar pas mee aan de gang gaan
als ze in de peutergroep zitten. Er moet al zoveel met die baby's; mensen
willen steeds vroeger dat hun kind iets leert. Ook zindelijk zijn.”
Een andere leidster die werkt in een verticale groep (nul tot vier jaar)
vertelde: “Ik merk dat steeds jongere kinderen (onder de twee jaar)
aangeven dat er een plas of poep aankomt. Als je hen dan op het potje
zet, is het meestal net gebeurd. Daarom hebben we op de groep enkele potjes
staan en laten zo zien dat het vanzelfsprekend is, dat een potje iets
is dat erbij hoort. Soms gaan ze erop zitten met de luier aan.”
Een speelzaalleidster vertelde dat ze alleen die kinderen op een potje
zette waarvan de ouders dat expliciet vroegen. Anderen gaan met de hele
groep naar de wc, laten kinderen op het potje of op de wc zitten alvorens
ze weer een schone luier aan doen.
Wat kun je doen?
Uit het tevredenheidsonderzoek van de Consumentenbond over ouders en kinderopvang
blijkt dat ouders best tevreden zijn. Wel vinden ouders dat er door de
leidsters te weinig aandacht aan zindelijkheid wordt gegeven. Wat kun
je als leidster daaraan doen?
Meestal is er geen eensluidend beleid op speelzalen en kinderdagverblijven
wat betreft de zindelijkheid. Sommige speelzalen zetten alleen die kinderen
op een potje waarvan de ouders dat expliciet vragen.
Tips
· Wees transparant naar de ouders.
· Zet in het pedagogisch beleidsplan de handelswijze uiteen over
de zindelijkheidstraining.
· Verzorg ouderavonden met als thema zindelijkheid.
· Betrek de zindelijkheid bij verschillende thema’s die je
de kinderen aanbiedt zoals water en aankleden.
· Koppel het terug naar de ouders en vraag of ze de kinderen zo
willen kleden dat ze hun broek zelf uit en aan kan trekken.
· Lees boekjes over op het potje, over poep en plas. Je zou titels
van boekjes kunnen noemen in de nieuwsbrief voor de ouders.
· Laat het kind spelen met een plaspop en het bijbehorende poppenpotje.
· Laat het kind kijken naar andere kinderen die op het potje gaan.
Vertel en praat over wat er gebeurt. Bijvoorbeeld: Kijk, hoe knap Michel
is, hij heeft een hele grote plas op de pot gedaan! Zullen we hem samen
in de wc gooien. Michel mag nu doortrekken. Was je zelf even je handen
Michel?
Ritueel
Kleine kinderen hebben vaak nog moeite om onderscheid te maken tussen
zichzelf en de buitenwereld. Ze beschouwen ontlasting als iets dat van
henzelf is en hebben soms moeite dit af te staan. Spoel daarom de inhoud
van het potje niet achteloos door de wc, maar maak er een vast ritueel
van. Laat het kind het toilet zelf doortrekken.
Laat de inhoud van de luier aan het kind zien en benoem de inhoud. Iedereen
moet poepen, ook de dieren. Vliegen, konijnen, koeien, honden…,
iedereen maakt zijn eigen poep! Konijnen maken prachtige keutels. Ga naar
de kinderboerderij of kijk in de dierentuin naar de poep van olifanten
en andere dieren.
Brilverkleiner
Sommige kinderen slaan de potjestijd over en willen direct op de wc. Meestal
is er wel een kindertoilet, maar let op dat wanneer de kinderen een toilet
voor volwassenen gebruiken er een brilverkleiner ingelegd wordt en dat
de voeten ondersteund worden door een krukje. Trek nooit onverwachts de
wc door als kinderen erop zitten. Sommige kinderen zijn bang voor het
geluid. De meest angstige fantasieën kan het oproepen. Nadat jongens
ook voor ontlasting zindelijk zijn, kan pas begonnen worden met het staand
plassen.
Vanuit hygiënische overwegingen is recentelijk veel geschreven over
het zittend plassen van jongens. Sommige scholen hebben het verplicht
gesteld. Gerrit Breeuwsma, ontwikkelingspsycholoog, verklaarde dat de
mannelijkheid niet wordt aangetast door zittend plassen!
Terugval
Er kunnen verschillende redenen zijn waarom een peuter die zindelijk is,
ineens weer in zijn broek gaat plassen: een spannende tijd, thuis een
baby erbij, ziek geweest… Het is belangrijk dat hierop begrijpend
wordt gereageerd. Ook als een peuter in de ‘nee-fase’ is,
kan dit een reden zijn van een tijdelijke terugval. Je moet in zo’n
periode proberen zo neutraal mogelijk te blijven. “Wil je nu niet?
Dan proberen we het straks even.” De kans is groot dat het kind
na tien minuten aangeeft dat het moet plassen of ineens zelf op het potje
gaat zitten.
De laatste stap in de zindelijkheid is het kind te leren ‘s nachts
zindelijk te worden. Dit kan pas als het kind overdag helemaal zindelijk
is.
In mijn praktijk heb ik regelmatig kinderen die overdag en/of ’s
nachts niet zindelijk zijn. In overleg met het kind maak ik een schema
met vaste tijden op een dag om naar de wc te gaan. Het kind moet dan verplicht
naar het toilet en rustig en op een ontspannen manier proberen te plassen.
Vaak zijn het haastige of slordige plassers. Door de toiletgang overdag
te structuren, zie ik vaak al dat ze overdag snel droog zijn en het bedplassen
spontaan overgaat.
Indien het bedplassen hardnekkiger is, zijn er verschillende methoden
ontwikkeld om kinderen, jongeren en zelfs volwassenen van het in bedplassen
af te helpen.
Praktische adviezen voor de leidsters:
Dwing kinderen nooit om op de pot te zitten.
Neem vaste tijden om op het potje te gaan, bijvoorbeeld na het eten
of voor het slaapje.
Kinderen kunnen het beste leren plassen op vaste vertrouwde plaatsen
Het kind mag niet worden gestimuleerd om te persen of te duwen.
Maak het gezellig tijdens de pot-zitting door wat te vertellen of
een boekje voor te lezen. Sommige kinderen missen het verzorgingsritueel
rondom het verschonen van de luier.
Beloon de pot-zitting wanneer er wat in zit in de vorm van een knuffel,
bravogeroep of handgeklap.
Betrek de jongste kinderen in verticale groepen bij de training van
de oudere kinderen
Laat ze op het potje zitten met de luier aan.
Sommige kinderen waarschuwen met po-po als ze de plas voelen aankomen.
Vaak zijn ze dan al begonnen met plassen, laat ze toch op de po zitten
ook al is het niet de vaste plastijd.
Wanneer het kind zindelijk is groeit het zelfvertrouwen, want het heeft
weer een nieuwe stap gezet op weg naar zelfkennis en zelfcontrole.
Josje Bröker-van Dijke
Drs. Josje Bröker-van Dijke is klinisch pedagoog en heeft een pedagogisch
adviesbureau.
Voor inlichtingen: www.pedagogischadviesbureau.nl
Kinderliteratuur over het gebruik van het potje
Waar is mijn pot, Tony Ross, ISBN 90-00-03262-8
Het grote billen-boek, Guido van Genechten, ISBN 90-6822-707-6
Hoera ik krijg een potje, Marianne Busser, Ron Schröder, ISBN 90-443-0174-8
Op het potje (apart voor jongens en meisjes), Alona Frankel, ISBN jongensuitgave
90-257-3168-6 en meisjesuitgave 90-257-3167-8
Slapen is net als eten en drinken. Je kunt niet zonder, het is geen
luxe, het is een noodzaak! Op het kinderdagverblijf slapen veel kinderen.
Natuurlijk letten we erop dat de slaapkamer in het kinderdagverblijf schoon
is en er goed verzorgd uitziet. Dat er frisse lucht binnenkomt en de kamer
rustig is ingericht.
Ook proberen we de kinderen zoveel mogelijk een ‘eigen bedje’
te geven, zijn eigen slaapzak en zijn knuffel. Waarop moeten we allemaal
letten bij het slapen?
Wat is slapen?
De mens brengt een groot deel van zijn leven slapend door. Deze activiteit
beïnvloedt onze geestelijke, emotionele en lichamelijke gezondheid.
De slaapbehoefte is leeftijdsgebonden en deze verandert in de loop van
de ontwikkeling. Zo heeft een pasgeboren baby gemiddeld 14 tot 16 uur
slaap nodig per dag, terwijl volwassenen aan zeven à acht uur nachtrust
genoeg hebben.
Er bestaan niet alleen verschillen in slaapbehoefte op grond van het
ontwikkelingsstadium. Net als bij volwassenen verschilt ook bij kinderen
de slaapbehoefte van individu tot individu. Ook bij kinderen komen zogenaamde
ochtend- en avondmensen voor.
Een ‘avondkind’ moet gewekt worden of opstaan om naar het
kinderdagverblijf gebracht te worden en heeft dan thuis vaak niet gegeten
omdat het nog geen trek heeft. Het moet eerst nog even bijkomen!
Slaapproblemen
Slaapproblemen komen veel voor. Op het kinderdagverblijf worden de leidsters
vaak geconfronteerd met kinderen die thuis slaapproblemen hebben. Het
is een gezinsprobleem geworden. De ouders raken zelf ook niet uitgerust.
Het is belangrijk om ouders inzicht te geven in mogelijke oorzaken van
het slaapprobleem. Zo speelt in de tweede helft van het eerste levensjaar
de separatie-angst (achtmaandenangst) een rol. Het kind beseft in deze
periode dat het niet één is met de moeder. Het alleenzijn
roept angst op. Moeder verlaat de kamer en is uit zicht. In de peutertijd
spelen vooral psychologische en sociale factoren een rol. Het kind wil
niet alleen zijn. Net als in het prentenboek van ‘welterusten kleine
beer’ verzint het kind iedere keer weer nieuwe redenen om niet te
kunnen slapen. Het reactiepatroon van de ouders op het wakker worden,
onrust en veranderingen binnen het gezin spelen ook vaak een rol.
Om te kunnen begrijpen wat er precies aan de hand is stel ik ouders vaak
voor een slaaplogboek bij te houden. Zeker ook bij allochtone ouders zijn
er cultuurverschillen rond het slapen gaan. Jij als leidster krijgt daardoor
meer inzicht in de rituelen van de ouder, hoe brengen ze Wesly of Achmed
naar bed? Hoelang slaapt hij? Laten ze Wesly of Achmed huilen? Krijgt
het een speen mee, een knuffel, een muziekje? Als leidster weet je dan
wat het kind gewend is. Belangrijk, zeker als het kind niet wil slapen
op het kinderdagverblijf. Zo kun je het eventueel bijsturen. Ouders kun
je over jouw ervaringen vertellen en je kunt eventueel voorstellen doen.
Vast bedritueel
Bij navraag op verschillende kinderdagverblijven blijkt dat de leidsters
vinden dat ze geen rituelen hebben bij het naar bed brengen. Veel rituelen
zijn zo ingeburgerd dat het onbewust gaat. Iedereen doet wel iets maar
ieder doet het op zijn of haar manier.
Rituelen zijn belangrijk, zeker ook voor de allerkleinste kinderen. Ze
hebben nog geen tijdsbesef. Door altijd hetzelfde patroon te volgen, maak
je ze duidelijk dat het tijd is om te gaan slapen. Het geeft ze houvast.
Spreek daarom met alle leidsters van de groep af wat de rituelen zijn
bij het naar bed brengen. Blijf alert, geef het kind echte aandacht bij
het naar bed brengen. Kinderen, hoe klein ook, voelen de sfeer. Praat
tegen ze, vertel een klein knus verhaaltje: het schept vertrouwen. Eindig
het bedritueel niet met de vraag ga je nu lekker slapen? Maar zeg kordaat:
“Welterusten, ga nu lekker slapen, ik ga naar binnen en als je wakker
wordt, kom ik weer bij je. Slaap lekker.”
Hoofdbonken en tandenknarsen
Hoofdbonken, het herhalen van een stereotiepe beweging, is storend slaapgedrag
en begint meestal vrij snel na het naar bed brengen. Het bestaat uit het
ritmisch heen en weer bewegen van het hoofd terwijl het kind in slaap
valt of al slaapt. Eén op de twintig kinderen tussen de acht maanden
en vijf jaar bonkt regelmatig met zijn hoofd. Jongetjes bonken veel vaker
dan meisjes. Er is geen duidelijke verklaring voor. Wel is vastgesteld
wanneer het voorkomt. Er zijn kinderen die gaan bonken als ze voor een
nieuwe mijlpaal in hun ontwikkeling staan: als ze bijna gaan kruipen,
lopen of praten. Ze voelen zich onzeker over het nieuwe; door te gaan
bonken kunnen ze die spanning afreageren. Je kunt het vergelijken met
in slaap wiegen. Het is naar om te horen. Ouders zijn ook vaak bang dat
het kind zich bezeert. Bedek de harde kanten van het bed met iets zachts
(maar het moet wel veilig zijn! red.). Wanneer het ledikantje gaat schuiven
plaats dan rubberen doppen onder de poten. De behoefte van het ritmisch
bewegen laat zich niet onderdrukken. Daarom is het beter om niet te verbieden.
Doe spelletjes met het kind met hetzelfde soort heen en weer bewegen zoals
schommelen of samen trommelen.
Ook tandenknarsen valt onder storend slaapgedrag: de spieren die bij het
kauwen zijn betrokken, worden ongecontroleerd samengetrokken en het resultaat
hiervan is een bijzonder storend geluid. Tandenknarsen komt zowel overdag
als tijdens de slaap voor. Het is meestal geen serieus probleem.
Huilbaby’s
De meeste gezonde zuigelingen huilen in de eerste zeven weken gemiddeld
twee en een kwart uur per dag. Maar niet ieder kind dat meer huilt, is
een huilertje. Het kenmerk van een huilbaby is meestal een gezonde baby
van één tot vier maanden oud, die goed groeit en zich normaal
ontwikkelt, waarbij met name in de namiddag en avond periodes van huilen
voor komt. Het kindje is ontroostbaar en maatregelen zoals oppakken, verschonen,
knuffelen of voeding helpen niet. Op het kinderdagverblijf komen we deze
huilbaby’s zo af en toe tegen. Hoe adviseer je ouders?
Belangrijk is dat er eerst lichamelijke oorzaken uitgesloten moeten worden.
Stel de ouders daarna gerust. Vertel dat na de vierde maand een duidelijke
afname of spontaan verdwijnen van de huilperiodes op zal treden. Maar
nu zitten ze ermee! Hoe evenwichtig de ouders ook zijn, er kan toch een
verstoorde ouder-kind interactie ontstaan. Daarom is begeleiding van deze
ouders heel belangrijk.
Praktisch gezien moet je nu vooral letten op de voeding. Vaak zijn huilbaby’s
gulzige drinkers, die baat hebben bij regelmatige korte onderbrekingen
van drinken om te kunnen boeren. Soms kan een fopspeen aan een verhoogde
zuigbehoefte voldoen.Tijdens de huilperiode kan het helpen om het kind
op de buik te dragen. Juist het horen van de hartslag en de ademhaling
geeft het kind rust. Het al oude principe van ‘rust, regelmaat en
reinheid’.
Bij navraag op verschillende kinderdagverblijven blijkt dat er vaak geen
draagzak aanwezig is of deze niet gebruikt wordt omdat de leidster dan
moeilijker andere kinderen kan helpen. In de meeste centra’s worden
oude ‘wiebelkinderwagens’ gebruikt.
Luisteren naar kinderen en…laten huilen?
De Amerikaanse ontwikkelingspsycholoog Aletha Solter geeft als advies
dat je een kind vast moet houden en laten huilen. Het onderdrukken van
huilen geeft een gedragspatroon dat iemand gebruikt om ook later het uiten
van gevoelens uit de weg te gaan. Doordat je de baby aandacht geeft, creëert
het emotionele vrijheid. Het kind huilt omdat het gekwetst is. Laat een
baby huilen en leidt het niet af. Zo geeft Solter als voorbeeld dat een
huilende baby gesust door wiegen juist hyperactief kan worden. Volgens
de ontwikkelings-psycholoog zijn er diverse redenen waarom een baby huilt.
Een kind kan zwangerschapstress of een prenataal- of bevallingstrauma
ervaren. Er kan overstimulatie zijn door een teveel aan prikkels of frustraties
doordat een kind iets wil dat niet bij de ontwikkeling aansluit.
Het heeft ook met onze cultuur te maken
In sommige culturen kennen ze het probleem van huilbaby’s bijna
niet. Bij “primitieve” volkeren komen weinig kinderen voor
die huilen. De vrouwen daar lopen of werken gewoon met hun kind tegen
zich aan. En wat doen wij? Wij fietsen met onze baby door de drukke stad,
nemen de baby overal mee naar toe, hoe druk de omgeving ook is. Laten
wij onze kinderen rustig aan de drukke maatschappij wennen?
Veilig slapen
Waarop moeten we in het kinderdagverblijf letten om het kind veilig te
laten slapen?
· Leg de baby altijd op de rug te slapen.
· Voorkom dat de baby te warm ligt.
· Zorg voor veiligheid in wieg en bed.
· Let op rust en regelmaat.
· Ga regelmatig kijken, vertrouw niet alleen op de babyfoon.
Er zijn verschillende centra’s die protocollen hebben hoe ze de
kinderen te slapen leggen. Willen de ouders hiervan afwijken dan moeten
zij dit schriftelijk bevestigen. Deze protocollen zijn ontstaan naar aanleiding
van wiegendood.
Wiegendood
Wiegendood komt gelukkig steeds minder voor, maar het risico verkleinen
kunnen we wel. Het treft overwegend baby’s in het eerste levensjaar.
Het gebeurt altijd onverwacht en bijna altijd tijdens de slaap. ’s
Nachts, maar soms ook overdag.
Meer informatie over wiegendoodpreventie tijdens kinderopvang en het bestellen
van een voorbeeld protocol Wiegendood met de folder veilig slapen is te
bestellen op de website van Stichting Wiegedood: www.wiegedood.nl
Inbakeren
Inbakeren is al heel lang uit onze cultuur verdwenen. Bij het inbakeren
wordt het kind dat te slapen gelegd wordt, door een of twee doeken van
schouders tot tenen zodanig begrensd dat de lichaamsbeweging beperkt wordt.
Onrustige kinderen die door het slaan van hun armen en benen zichzelf
uit hun slaap houden, komen daardoor tot rust. Wanneer het kind koorts,
een ernstige infectie van de luchtwegen, heupproblemen heeft of heeft
gehad, mag het niet ingebakerd worden. Inbakeren is alleen veilig als
het onder deskundige leiding gebeurt.
Genieten
Kinderen die slapen, zijn ook een plaatje om naar te kijken. Geniet hiervan.
Ook het wakker worden is aandoenlijk. Pluk ze niet te snel uit hun bedje,
geef ze alle tijd om zich uit te rekken. Praat dan tegen ze. Je zult zien
dat je blijere en vrolijkere kinderen voor terugkrijgt.
Baby’s weten wat ze willen
Aletha Solter
ISBN 90 6020 649 5
Meer informatie:
Slapen. Set van 5 informatiekaarten over het slapen van kinderen van 0-6
maanden, 6-12 maanden, 1-2 jaar, 2-3 jaar, 3-4 jaar met tips. Uitgave:
Samenwerkingsverband Pedagogische Preventie Oost-Veluwe (Riagg Oost-Veluwe
, St. Thuiszorg Oost-Veluwe, S&O Gelderland)
Welterusten over slaapgedrag van baby’s, peuters en kleuters. Opvoedingsreeks
Bestelnummer K20 Stichting Jeugdinformatie Nederland besteltelefoon (030)
293 44 55.
Eten, slapen, zindelijk worden. Van baby tot grote peuter. Folder. Spectrum
Informatiecentrum tel. (026) 384 62 63.